Nóg een Janse
De Rover snijdt door de Maartse bui. De Engelsen zeggen dat Maart komt als een leeuw en vertrekt als een lammetje. We gaan de jas ophalen die mijn vader, zonder dat hij het doorhad, en passant met een man uit Oss had geruild. In de jas zitten mijn kamersleutels, kleine stukjes metaal met enorme betekenis. Door al het op- en afspattende water is het zicht grijs en mistig. Op de radio is een live concert van Brahms te horen. In mijn hoofd spoken enorme, gevaarlijke slangen, telefoonschimmen en fonetische toverspreuken.
Na de jassenruil zet mijn vader me af in Rhenen. Mijn kamer is nog een puinhoop. Teveel papieren die alles verraden en gaten in de lucht. Als ik ze kon vullen was ik compleet en kwam alles goed. Teveel losse eindjes, puzzelstukjes en kameleons.
Al mijn sprookjesboeken leg ik open op de grond. Ik pak een kussen en ga er tussen zitten. Mijn eilandje van veilige waanzin, waarin alles gegarandeerd goed afloopt. Onzekerheid sluipt als een lynx om mijn cirkel heen. Hij snoeft en noemt me een lafaard. Dat mag hij vinden. Ik blijf zitten waar ik zit.
We denken allemaal dat we fantastische mensen zijn. Dat we gelijk hebben en dat de anderen gek zijn. Maar de werkelijkheid is dat we ons potentieel niet waarmaken. We kunnen veel meer zijn dan we al zijn en alles dat we daarvoor nodig hebben, hebben we al. Het probleem is eelt op ons geweten, kortzichtigheid en gemakzucht.
Het is fantastisch dat er zeekoeien en vogelbekdieren en saiga’s bestaan. Wie ooit een Afrikaanse olifantenstier van heel erg dichtbij heeft gezien is verklapt dat alles mogelijk is. Mij is verteld dat aardig zijn weinig kost en veel oplevert. Dat geloof ik wel. Ze hebben mij uitgelegd dat er geen pijn hóeft te zijn. Dat wil ik ook wel geloven. Maar nu ze mij zeggen dat mijn dromen geen potentie hebben zal ik ze krijgen.
Ik heb drie monsters bedacht en ik heb ze volledig in de macht. De eerste heet zekerheid, de tweede heet absolutie en de derde heet enkelvoud. Ze werken als een bekerplant; ze zullen mijn vijanden langzaam verteren terwijl die wanhopig proberen te ontsnappen.
Alles is dynamisch en niets is eenduidig. Er gaan wegen naar Rome, maar ook naar jouw woonplaats, of die van mij. We hebben geen persoonlijkheid omdat we nu al niet meer zijn wie we zonet waren. We kunnen een bepaalde kant opgaan, maar er zal geen einde zijn. Er zal nóg een Janse zijn en nóg een en nóg een… Ze zullen allemaal wel mooie dromen hebben. Naast je lopen ze te verkondigen dat ze ergens achter zijn gekomen; je zou ze kunnen achterhalen nog voor ze uitgesproken zijn. Maar ook jíj zal weer worden achterhaald door een andere Janse die zich aan het aangepaste aan zou passen.
Ik sluit de sprookjesboeken en kijk de onzekerheid recht in de ogen. ‘Jíj bent óók een Janse…’ fluister ik overtuigd. En de onzekerheid knipoogt en verdwijnt.