Kriekbier
Rond één uur ’s nachts melde Steil dat hij nóg drie bakjes met pesto, guagamole en auberginepaté in de koelkast had staan. De eerste drie waren nog halfvol. Steil had zich een beetje verkeken op de hoeveelheid gasten die zouden komen. Hij had een stuk of tien mensen uitgenodigd voor zijn examenweek-uitrust-avond dat in feite een verhuld verjaardagsfeestje was (‘volledig secundair’ had Steil in de mail gezet). De opkomst viel helaas een beetje tegen. Fuz, die de uitnodiging op dezelfde dag nog had opengemaakt, was in ieder geval gekomen en zijn cadeau bestond uit twee flesjes Kriek-bier (uit België) met de montere toelichting dat niemand op zijn afdeling van Kriek-bier hield. ‘En toen dacht ik: hé, Steil lust wel Kriek-bier. Laat ik het hem dan voor zijn verjaardag geven.’ Fuz na even een pauze om zijn woorden te overdenken. ‘Maar… ik ga ook nog wel een écht cadeau voor je kopen.’ Hij overhandigde de twee flesjes.
Twee gasten was wel heel erg weinig, dus belde Steil Rebus op (die negen verdiepingen hoger woont). ‘Hé Rebus. Ben je thuis? Ja? Wil je dan stoppen met zoveel lawaai te maken? Nee geintje. Vind je het leuk om even langs te komen?’
Na wat morrelen, en nadat Steil Rebus ervan had overtuigd dat er een zeer uitgebreid kaasplankje was en dat ik en Fuz er ook waren, legde Rebus zijn leerwerk neer en kwam naar beneden.
Uiteindelijk werd het toch een uitstekende avond: de aanwezigheid van vier jonge, intellectuele, Wageningse heren, voedsel en wodka-gingerale leidde tot een geweldige variëteit aan discussie. Een greep uit de revue: McCain, snuitkevers, het Milgram-experiment, Ikea, Franse boeren en de kracht van de evolutietheorie kwamen stuk voor stuk langs. Het ene onderwerp vloeide subtiel uit het andere. Argumenten werden ondersteund met YouTube (‘maar één Nederlands filmpje over snuitkevers’ klaagde Rebus) en Wikipedia.
Om half twee vond ik het mooi geweest en ik stond op. Rebus en Fuz volgden onmiddellijk. We brachten de troep naar de keuken en zeiden Steil gedag. Op weg naar huis bespraken Fuz en ik het moeilijkste onderwerp van de avond: de liefde. Persoonlijk denk ik dat de liefde zo lastig is omdat het woord een samenvatting is van verschillende dingen die je tegelijkertijd voelt. Ik had hier nog wel uitgebreider over willen praten waar toen we bij de lift van de Haarweg kwamen besloten we beiden gewoon te gaan slapen.
Op mijn kamer aangekomen liet ik dat plan even voor wat het was en ik ging achter de computer zitten om te kijken hoe het downloaden van verschillende natuurfilms vorderde.
Op dat moment kreeg ik een sms met een onheilspellende boodschap van Rebus. Ik belde hem meteen op om te polsen wat er precies aan de hand was. Rebus (die overigens biologie studeert) werd op zijn kamer geterroriseerd door een bepaald roodkleurig insect waarvan hij niet kon slapen. ‘Trap hem plat!’ adviseerde ik. ‘Of vang hem, humaan, met een kopje en een stukje karton, zoals ikzelf altijd doe.’ Rebus vertelde dat hij aal had geprobeerd het insect te vermorzelen maar bij die poging was het diertje halfdood onder zijn bed beland. Hij kreeg het ‘Spaans benauwd’ bij het idee om verdere actie te ondernemen. ‘Zal ik langskomen om hem te vangen?’ vroeg ik nobel. ‘Ja, als je dat geen probleem vindt, ik houdt het hier niet uit.’
Dus ik reed terug naar de flat van Rebus (aan de andere kant van Wageningen). Ik, de heldhaftige ghost-buster zou wel eens afrekenen met die teisterende, enorme, rode insecten.
Met een zaklampje scheen ik onder het bed van Rebus. Rustig bestudeerde ik de vloer en enigszins teleurgesteld moest ik concluderen dat er geen grote rode insecten waren: slechts een paar zilvervisjes en een gewone bromvlieg. Ik ving de vlieg en liet het beestje vrij door het raam in de keuken. Het gevaar was geweken.
‘Wil je dan maar een kopje thee?’ vroeg Rebus, nog steeds een tikje onthutst.
‘Ja, doe maar.’
Samen dronken we een kopje rooibos thee en we spraken over angsten en het verschil tussen meten en ervaren. Een paar minuten over drie hoorden we een enorm rommelend geluid. Ik, die net kundig een filmcitaat aan het opzeggen was, stokte en keek naar het gordijn. We waren doodstil. ‘Wat was dat?’ vroeg ik. Rebus wist het ook niet; ‘Het lijkt wel of er een verwarming naar beneden is gekomen. Ik deed het gordijn open en keek naar buiten, naar de balustrade. Niets.
‘Vreemd’ zei ik. Ik dronk het laatste beetje thee op. Toen hoorde we stemmen op de gang. ‘Laten we gaan kijken wat er aan de hand is.’
Wat er aan de hand was: in de kamer naast ons was ingebroken. Precies op het moment dat ik mijn favoriete stukje uit ‘Jurassic Park 3’ aan het uiteenzetten was, was een dief door het raam van de kamer naast ons naar innen geglipt en had, bijzonder snel, de laptop van het meisje dat in de kamer woonde gepikt.
Snel liepen we over de balustrade om te zien of de dief nog in de buurt was, maar er was niemand te zien. Hij had wel sporen achter gelaten: een natte voetafdruk bij de noodtrap en voor het raam van de kamer lag een eenzame computermuis op de grond. In de kamer zelf was het een puinhoop. De printer was van het bureau afgestort en overal lag papier.
Het ergst om te zien was het slachtoffer; Rebus’ buurmeisje. In nachtkleding, wallen onder haar ogen en de blik van iemand die nog niet helemaal beseft wat er was gebeurt.
We maakten wat foto’s van de puinhoop en spraken even over wat er nu moest gebeuren: politie, aangifte, verzekering.
‘Nu kan ik niet meer slapen.’ zei het meisje beteuterd.
‘Je mag wel bij mij op de kamer komen liggen,’ bood Rebus aan.
‘Nee, dat hoeft niet, ik ga wel wat lezen.’
‘Dat lijkt mij verstandig,’ zei ik met een stem die iets lager klonk dan mijn gebruikelijke stem. ‘Dat zou ik ook doen. Wel, dit lijkt mij wel weer genoeg voor één avond.’ Ik gaf Rebus een knuffel en ging naar huis.
De nacht was heel anders geworden. Op weg naar huis zag ik gezichten van de mensen die ik tegenkwam: twee jongens die vlak voor de flat aan het roken waren keken me indringend aan. Misschien waren jullie het wel, dacht ik. Later de gezichten van twee giechelende meisjes die ik tegenkwam op het fietspad. Bij verzorgingstehuis stond een ploegje mensen in uniform. Agenten? Ik zag het gezicht van een blonde vrouw in de dertig. Ze keek met een blik van: ‘Wat doe jij hier nog?’ Ik kwam een politiebusje en een beveiligingsbusje tegen.
Voor de deur van de lift vloog een vlieg. Een gewone bromvlieg.