Krasheadar

53

Krasheadar, de geestvogel. Iedereen hier kent zijn naam; niemand durft hem uit te spreken. Al weken ben ik hier gestationeerd en ik vervul mijn plicht. Het is ongelofelijk saai. De lokale bevolking is vriendelijk maar terughoudend. ’s Ochtends staan ze vroeg op en brengen ze hun kuddes naar de vlakten. Daar laten ze hun vee dan grazen terwijl ze zelf manden vlechten of gedichten schrijven voor na de avondmaaltijd.

Ik verlang naar een stukje brood met wat pindakaas of jam. De mensen leven hier op grauwe gerstepap, soms gezoet met wat honing. Nog 53 dagen voordat ik wordt afgelost. Dat duurt nog een eeuwigheid. Een eeuwigheid waarin niets gebeurt. Het enige dagelijkse lichtpuntje is de ceremonie voor het slapengaan, waarin de oudere inwoners hun verhalen voordragen, de jonge meisjes zingen en de herders hun poëzie voordragen. Natuurlijk kan ik het allemaal maar met moeite verstaan maar ik put er troost uit. Mijn fantasie wordt er door geprikkeld.

46

Ik houd het hier niet meer uit. Aan de dorpsoudste vraag ik naar de met bomen begroeide heuvels aan de overkant van de vlakte. Hij zegt me dat er inderdaad een oud bos is, waar hun voorouders ooit woonden. Nu willen ze er niet meer komen want het bos wordt tegenwoordig bewoond en geregeerd door geesten. Naar ik begrijp stikt het woud ervan. En er woont één oppergeest: de vogel Krasheadar. Allemaal verzinsels natuurlijk maar de mensen hier geloven er in. Ik vraag hoe lang het duurt om er te komen. Drie dagen. Ik neem een besluit. Morgen ga ik weg. Op avontuur.

45

Ik sta vroeg op om mijn rugzak te pakken. De mensen hier zijn al op het land. Ik neem niet alles mee, slechts een deken, wat kookgerij en een kapmes. Ik vul mijn veldfles bij de waterput en ik vertrek.

De lucht is bedrukt en het is windstil. De tocht over de vlakten verloopt zwaarder dan ik dacht. Op het oog lijkt alles vlak maar het terrein is zwaar oneven. Je moet uitkijken waar je je voeten plaatst. Na een paar uur vind ik een kleine waterpartij. Er lopen wat ibissen in rond, heilige vogels volgens de lokale bevolking. Zou Krasheadar eruit zien als een Ibis? Waarschijnlijk niet. Krasheadar is een wezen dat zich voed met de zielen van andere wezens.

Na nog drie uur lopen veranderd het terrein. Er is meer begroeiing. De heuvels met de bossen lijken nu dichterbij. Er staat hier een oude herdershut. Ik sla mijn kamp hier op.

44

Ik heb onrustig geslapen. Ik sta stijfjes op en verlaat de oude herdershut. Ik vertrek weer richting de heuvels. Het is een zware tocht, maar na een dag vol zweet, distels en een verstuikte enkel ben ik aan de voet van het bos beland. In slechts twee dagen. Heel netjes. Morgen begin ik met de klim.

43

Na een paar uur door het bos gelopen te hebben, krijg ik het akelige gevoel dat er iets niet klopt hier. Het terrein wordt steeds ruiger en moeilijker te doorkruisen. De grond is begroeid met varens en verschillende soorten netelige planten. Er is weinig licht. Het is doodstil hier. Geen geruis van de wind door de boomtoppen. Geen gekraak van takken. Zelfs geen kwetterende vogels. Het enige dat ik hoor is mijn eigen, onrustige ademhaling. De lucht is bedompt hier. Het lijkt wel alsof er helemaal geen diertjes leven hier. Ik zie nergens insecten kruipen. Soms heb ik het idee dat er dingen om mij heen bewegen, maar ik weet het niet zeker. Dit bos lijkt leeg.

Rond het middag uur kom ik iets geks tegen: een trap. Recht tegen de heuvel op. Gemaakt van oude stammen. Ik begin hem te beklimmen, maar halverwege moet ik uitrusten. Er lijkt geen einde aan te komen.

Hoe komt die trap hier? Is hij gemaakt door de voorouders, waar de dorpelingen het over hadden? Waarschijnlijk. De treden zijn half vergaan en je moet goed uitkijken waar je loopt. Eenmaal bovenaan is het bos nog dichter. De trap moet betekenen dat er nog meer resten van menselijke beschaving moeten zijn. Na een tijdje vind ik die ook.

Ruines. Niet van natuursteen, maar van bakstenen. Als ik er doorheenloop krijg ik een raar gevoel: het gevoel alsof ik helemaal niet welkom ben hier. De natuur heeft alles overwoekert. De bomen voelen hier raar aan. De schors is niet ruw, zoals hij er uitziet, maar voelt poreus en sponsachtig aan. Ik durf geen boom meer aan te raken. Wat is hier aan de hand? Waar ben ik aan begonnen?

Ik bouw een hut van takken en mos, vlak bij de ruines. Ik kan echter moeilijk slapen. Het is hier gewoon te stil. Ik heb steeds het gevoel dat ik mijn ogen open moet houden. Na uren beland ik in een onrustige droom.

42

Wanneer ik wakker wordt voel ik mij ellendig. Mijn deken is klam van het zweet. De lucht lijkt te gonzen. Er klinkt een golvend gezoem. Ik vervolg mijn wandeltocht door het kreupelhout. Ik laat de oude gebouwen achter mij.

Voor het eerst in dit bos kom ik een dier tegen. Iets wat lijkt op een vlinder zit doodstil op een stam. Ik leg mijn hand er op, maar ik voel alleen het sponsachtige schors. Als ik mijn hand weer weghaal zit de vlinder er nog steeds. Onbeweeglijk. Ik bekijk het diertje goed en besef dat ik door hem heen kan kijken. Deze vlinder is geen vlinder. Het is een geest of een illusie. Dit bos maakt mij gek.

Na een uur lopen zie ik weer een geest. Ik sta abrupt stil en probeer mijn ogen scherp te stellen op de gedaante die daar doodstil tussen de bomen staat. Mijn hart bonst als een bezetene en er lopen rillingen over mij hele huid. ‘Hé! Wie is daar!’ roep ik. De gedaante verroert zich niet.

Ik besluit terug te gaan. Dit bos werkt op mijn zenuwen met al zijn spookverschijningen. De bladeren knisperen onder mijn voeten het gegons klinkt in mijn oren als ik de duistere gedaante achter mij laat. Plots struikel ik over een tak en val op de grond. Er klinkt hoog, ijl geluid door de lucht en een duistere schaduw flitst over mij heen. Een gedaante in de vorm van een donkere vogel. Krasheadar. Ik schreeuw. Maar het geluid wordt gedempt door het zware gegons dat steeds luider wordt.

1

Hoe ik ooit ben terug gekeerd weet ik niet. De bewoners van het dorp bij mijn post hebben mij verzorgd toen ik als een gestoorde terugkeerde. Vandaag ben ik opgehaald door een donkergroene Jeep. Op de basis ligt er een verassing op veldbed: een grote zwarte veer. Niemand die ervan afweet.

Krasheadar zit in mij.