JONA
God zei op een dag tegen Jona: ‘Ik wil dat je de mensen in Ninevé gaat vertellen dat ze nog niet verloren zijn.’
En Jona zei: ‘God, beste knul, dat ga ik voor je doen.’
Maar eigenlijk had Jona helemaal geen zin om de mensen in Ninevé te vertellen dat ze nog niet verloren waren. Veel te veel moeite. Bovendien vond Jona ook niet echt dat de mensen in Ninevé van de ondergang te redden waren. Voor God was dit natuurlijk, zo dacht Jona, een prima manier om zichzelf te legitimeren. Zo van: mensen, don’t blame it to me, ik heb jullie nog een laatste kans gegeven.
Nee, dacht Jona. Dit kan toch mijn pad niet zijn. Die achterlijke Nineveërs zouden hem onhartelijk uitlachen alvorens hem in stukjes te snijden.
Dus hij vertok. Niet richting Ninevé maar in de tegenovergestelde richting. Hij kwam bij een haven en vroeg aan de schippers die hij tegenkwam welke kant zij opgingen. ‘Richting Tharsish,’antwoordden zij. Precies de goede richting, dacht Jona bij zichzelf. Hij liet zich inschepen.
Het schip kwam terecht in een vreselijke storm en dreigde om te slaan en in de golven te verdwijnen. Radeloos gingen de schippers op zoek naar een manier om het schip te redden. Toen ze ontdekten dat Jona tegen de wil van zijn God handelde gooiden ze hem overboord. Probleem opgelost. Voor hen tenminste… Jona zelf was nog lang niet uit de problemen en ploeterde uit man en macht om maar niet te verdrinken. Gelukkig was God genadig en stuurde een grote vis. De vis slokte Jona op.
Zo bevond Jona zich toen in een vis. Daar zat hij opgesloten in het donker, maar hij leefde. En in het donker van de vis kwam Jona tot inkeer. Hij realiseerde zich dat ieder mens het potentieel tot verlichting, de Boeddhanatuur, in zich heeft. Om die reden alleen al zouden we elkaar een tweede kans moeten gunnen.
Nou, dacht God bij zichzelf, het is wel niet precies wat ik hoopte, maar in ieder geval heeft Jona íets geleerd. Toen beval hij de vis om Jona weer uit te spuwen, dicht bij het strand.
En Jona ging weer op pad. Dit keer oprecht overtuigd van zijn missie. En hij ging naar Ninevé en zei tegen de mensen: ‘Jullie zijn nog niet verloren. Kom toch tot inkeer en accepteer God als jullie god.’ De mensen in Ninevé lachten hem niet uit, maar overlegden samen en ze kwamen tot inkeer en bekeerden zich tot God.
Jona, die had gezien dat de Nineveërs een nogal barbaars volkje waren, dacht: shit! Nu geeft God deze idioten zomaar toegang tot míjn Sangha. Nu moet ik met die onaangepaste lieden gaan samenleven. En God zei tegen Jona: ‘Idioot die je bent. Je moet mensen niet uitsluiten op grond van de context waar in ze leven maar je moet ze helpen om hun omstandigheden zo te veranderen dat ook zij beschaafde Gelovigen worden.’ ‘Beste God,’ antwoordde Jona, ‘Nu zie ik in waarom u zo wijs bent en ik niet. Ik dacht dat ik er al was. Vergeef mij maar ik denk dat ik nog niet klaar ben om de Nineveërs te helpen. Nu ga ik eerst proberen om afstand te doen van de gedachten die mij ongelukkig maken. En God zei: ‘Goed.’
Jona vertrok met een schip. Niet naar Tharsish en ook niet naar Genua. Hij ging nergens heen. Hij ging slechts ergens vandaan.