Gevonden voorwerpen
Het was een rottig baantje, belachelijk eenvoudig al zeg ik het zelf. Het leverde vrijwel niets op, maar in ieder geval meer dan vakken vullen of kranten rondbrengen. Iedere keer als er iemand kwam vragen of we iets hadden gevonden, dan moesten wij in negentig procent van de gevallen meedelen dat we het (nog) niet gevonden hadden, maar dat, als we het vonden, we het zouden toezenden. En als je we het wel hadden gevonden moesten we de ‘klant’een formuliertje laten invullen, het strookje eraf scheuren en dat aan die iemand geven, samen met het gevonden voorwerp.
Dat voorwerp kon van alles zijn, maar meestal was het iets onbenulligs, meestal een portemonnee of een boek. Soms ook een paraplu of een jas, en af en toe een knuffelbeest dat een kind had verloren. Het enige leuke aan het vak was dat men je hartelijk bedankte wanneer je iets terug gaf, ook al had het je geen greintje moeite gekost.
Toen ik dit al bijna een jaar deed, gebeurde het merkwaardigste dat me ooit is overkomen op dit station. Lex, de jongen die alle gevonden spullen bij mij binnenbracht, gaf me een zak met boeken, een zak met portemonnees, een zak met paraplus en knuffelbeesten, en een zak met dingen die niet in een van de andere drie zakken paste. Toen haalde hij nog iets tevoorschijn.
‘Dit heb ik ook gevonden.’ zei hij. ‘Ik heb geen flauw idee wat het is’. Ik bekeek het voorwerp dat hij in zijn handen had. Het leek op een stofzuiger, maar dan op het formaat van een luciferdoosje. Het geheel was fel rood gekleurd, en een zwarte knop was op de bovenkant bevestigd. ‘Heb je ooit zoiets gezien?’ vroeg Lex. ‘Nee’ zei ik ‘het lijkt op een kleine rode stofzuiger met een zwarte knop erop, maar het is vast niet bedoeld om stof mee op te zuigen.’ ‘Nee,’zei Lex ‘dat denk ik ook niet.’ Terwijl ik de beschrijving in de computer tikte. ‘Het is misschien een flesje parfum in een originele vorm, of een apparaatje waarmee je stofjes van je pak mee afzuigt.’ ‘Of misschien is het een proppenschieter,’verzon ik ‘als je op die zwarte knop drukt dan floepen er gele propjes slijm uit.’ We bleven een poosje functies voor het apparaatje verzinnen die hoe langer, hoe smeriger werden. ‘Waarom drukken we gewoon niet op die knop?’vroeg Lex ‘dan weten we meteen wat voor ding het is.’ Ik stemde daarmee in en drukte op de zwarte knop. Onmiddellijk begon het stofzuigertje schril en luid te piepen. Alle passagiers stopte en keken naar waar het geluid vandaan kwam.
Snel drukte ik op nieuw op de zwarte knop, in de hoop dat het apparaatje zijn mond hield. Maar die zat plotseling vast, en het apparaatje piepte maar door. Ik drukte en duwde, maar het hield niet op. Ik griste een hamer uit het laatje onder de toonbank. En gaf het ding een gemikte klap. Het gepiep hield op. Snel verborg ik het onder de toonbank, en ik glimlachte onschuldig naar de mensen die toe stonden te kijken. Enkelen schudden hun hoofd en liepen verder. Lex moest lachen. ‘Kennelijk wil de eigenaar dat we ervan af blijven, en heeft hij het beveiligd met een alarm.’ Ik wist niet wat ik moest zeggen. Dus zei Lex ‘Veel plezier ermee, en laat me weten wie de eigenaar is!’ Met die woorden liep hij weg.
Drie dagen later kwam die eigenaar. Het was een klein mannetje, met sluik en grijs haar, dat half verborgen zat onder een zwarte bolhoed. Ook had hij een haakneus en donkere ogen, en bij alles wat hij zij maakte hij geluid dat zowel op kuchen als op grommen leek. ‘Grm, heeft u misschien, grmm, mijn vok inj salak gezien?’ gromkuchte hij. ‘Uw wat?’ vroeg ik. ‘Mijn vok inj salak, grmm.’herhaalde hij. ‘Ik ben hem, grmm, drie dagen geleden kwijtgeraakt op dit station. Ik dacht, grmm, dat u hem wellicht gevonden had. ‘Misschien’ antwoordde ik beleefd. ‘Maar wilt u dan uw, euh, dat ding nader omschrijven? Ik weet eigelijk niet wat een euh, zoiets is.’ De man lachte, althans daar leek het op. Het was een rare combinatie van hoesten, lachen en grommen. ‘Het ziet er uit als een klein, grm, rood, stofzuigertje. Het is ongeveer net zo groot als een luciferdoosje. Bovendien, grm, zit er op de bovenkant een zwarte knop.’ ‘Aha’ zei ik ‘en wilt u mij uitleggen waar het voor dient?’. ‘Grmm, nee dat kan ik helaas niet doen. Heeft u zoiets dergelijks gevonden?’ Ik zocht in de laatjes, en haalde het apparaatje eruit. ‘Is dit wat u zoekt?’ vroeg ik. ‘Jah, grmm, geeft u dat maar hier.’ Hij strekte zijn arm uit. Ik fronste mijn wenkbrauwen. ‘Ik ben bang dat u eerst een formuliertje moet invullen’ zei ik. En ik overhandigde hem het papiertje en een pen. Hij begon het snel en krasserig in te vullen. Toen hij klaar was, scheurde ik de bovenkant eraf en gaf dat aan hem. Ook overhandigde ik hem het apparaatje, en ik vroeg ‘Wilt u mij alstublieft zeggen wat dit is? Ik beloof dat ik het niet verder vertel. Maar als ik het niet weet dan zal ik nooit meer een oog dicht doen.’
‘Dat zul je, grm, ook niet als je het wél weet.’ Antwoordde hij. ‘Het is een vok inj salak. Dat is wat ik je, grm, zeg. Meer zeg ik niet.’ ‘Helaas, jammer dan, dan zal ik het nooit weten. Een prettige dag nog verder meneer, euh… ’ Ik keek op het formulier en kon mijn ogen niet geloven. De man heette Cupido. Ik keek op. Hij was verdwenen. Ik keek weer op het formulier. Er stond echt cupido. Ik keek op mijn horloge. Het was bijna drie uur, en plotseling herinnerde ik me welke dag het was; dertien februari. Nu weet ik waar het apparaatje voor dient dacht ik, en ik glimlachte.
Janse H. 4vC