De nacht van 25 juni, een jaar geleden

Ik reed naar huis, nog in trance van die vervelende wedstrijd. De Nederlanders en de Portugezen hadden elkaar in een ziekelijke drang naar de overwinning meer geschopt dan de bal. Scheidsrechter Ivanov trok in de wedstrijd waarin de Nederlanders verloren maar liefst 16 gele kaarten en vier rode. Daarmee werd er een nieuw record gevestigd: het grootste aantal kaarten in een WK-match ooit. Had Nederland toch nog íets bereikt.

Mijn fiets reed ik de voortuin in en keek op mijn horloge. Het was kwart voor twaalf. Over een kwartier zou ik volwassen zijn. Ik besloot om niet naar binnen te gaan maar een wandelingetje te maken. Een prachtige gelegenheid om bij te komen van de roerige avond en om over mijn leven na te denken. Je moet toch wat.

Dus ik begon te lopen.

Ik liep naar het kleine haventje en bleef daar even staan om over het water te kijken. Volgens mijn horloge was het al twaalf uur. Ik was achttien geworden. Niets van gemerkt. Verder lopend overpeinsde ik in gedachten mijn nieuwe mogelijkheden. Op politici stemmen, sterke drank en autorijden. Na het haventje sloeg ik links af, met de bedoeling om dan over een voetgangersbruggetje terug naar huis te lopen. Ik kwam op een industrieterrein in het zwakke licht van de lantarens liep ik over de blokken asfalt. Rechts van mij doemde een donker gebouw op dat nog in aanbouw was. Links van mij stonden roestige grijze gebouwen treurig en kaal te doen wat ze altijd deden: staan en verder niets. Het begon zachtjes te regenen.

In de verte begonnen de klokken te luiden. Nú pas was het twaalf uur. Ik had mij vergist. In de regen, op een verlaten industrieterrein werd ik achttien jaar. Meesterlijk Janse, dacht ik. De ideale locatie. Er klonk wat gerommel van de werkplaats naast mij. Angstig keek ik om mij heen. Er was niemand te zien. Toch kon ik behoorlijk wat mensen bedenken die ik hier liever niet zou tegenkomen. Bepaalde leraren bijvoorbeeld, of dat enge oude ventje dat altijd over de Binnenweg strompelt. Maar bovenal was ik bang dat Eshkamir hier was. Híj was wel de laatste die ik hier zou willen tegenkomen.

En alsof hij mijn gedachten kon lezen stapte hij het donkere pad tussen twee gebouwen. Als verstijfd bleef ik staan. Ik wilde wat zeggen maar er kwam geen geluid uit mijn keel. Mijn benen waren pap en mijn hartslag versnelde. Eshkamir zag dat ik bang was en gniffelde. Hij nam een trekje van een dunne sigaar en blies de rook theatraal de nacht in.

‘Zo, Janse, wat doe jij hier nog zo laat? Een beetje rare plek om op dit tijdstip heen te gaan, vind je niet?’ zei hij vaderlijk, maar ik hoorde een duidelijk spottende ondertoon in zijn stem.

Wat een griezel. Ik wilde het liefst wegrennen. Eshkamir nam nog een trekje.

‘Van harte gefeliciteerd nog hé? Ben ik de eerste?’

Nog steeds aan de grond genageld knikte ik.

‘Ja, dat dacht ik al. Je hebt geen mobiele telefoon dus niemand kan je een sms hebben gestuurd. Ik ben je gevolgd om je als eerste te feliciteren.’

Maak dat de kat wijs, dacht ik. Iedere keer dat Eshkamir met zijn bleke gezicht en zijn sigaren langskwam betekende dat narigheid. Hij had er een akelig talent voor om op de meest ongepaste momenten op te duiken en dan mij te ‘waarschuwen’voor de ellende die komen ging, dat heb je namelijk met gewetens.

‘Ik kom je overigens ook waarschuwen.’

Zie je wel. Daar had je het al. Hij kwam iets vervelends vertellen. Ik vond mijn stem weer terug en vroeg: ‘Wil ik het weten?’

Hij grijnsde. ‘Vast wel.’

Het maakte niet uit of ik iets wilde. Als hij mij iets wil inprenten dan doet hij dat ook. Ik kan hem toch niet onderdrukken.

‘Weet je, Jans, ik vind het raar dat je mij niet vreselijk dankbaar ben. Wees blíj dat ik zo duidelijk ben. Veel mensen doen de meest domme dingen die je kunt bedenken, alleen om dat anderen niet duidelijk tegen je geweest zijn.’

‘Ik zou je dankbaar zijn als je niet op die vreemde uurtjes kwam opduiken.’ Ik zuchtte. ‘Goed. Vertel. Waar moet ik bang voor zijn?’

‘Nou ja, bang… Bedachtzaam hé? Ter zake. Je gaat naar Brazilië hé?’

‘Ja.’

‘Tsja. Dat wordt erg. Dát kan ik je vertellen.’

‘Hoe erg?’

‘Weet je nog, die klaplong?’

Ik huiverde. De klaplong was zo ongeveer het meest vreselijke moment uit mijn leven geweest.

‘Zo erg wordt het. Maar je moet gewoon gaan hoor! Dit wordt op een andere manier erg. Ik laat het je tijdig weten.’

Daar twijfelde ik niet aan.

‘En verder… Tsja. Je gaat dit jaar ambities krijgen.’

‘Voor school?’

‘Euh nee, dat niet, maar dát gaat wel lukken. Eigenlijk wordt het best een tof jaar.’

Eshkamir gooide zijn peuk weg en stak een nieuwe sigaar op. Er was één vraag die ik hem wilde stellen. Hij wist alles van mij, maar van één onderwerp wist hij pijnlijk genoeg het meest.

‘En qua meisjes?’ stamelde ik.

Eshkamir moest lachen. Zijn lach klonk diep en hol. Ik vond het vreselijk, ik schaamde mij diep.

‘Qua meisjes. Hmmm. Laten we zeggen dat je vooruit zal gaan. Volgens mij in Brazlië al. Je zult het wel zien.’ Hij gniffelde.

Ik haatte hem. Waarom kon ik niet zoals alle mensen gewoon een normáál geweten hebben? Nee hoor. Ik moest er een hebben die sigaren rookte en mij een beetje kwam uitlachen als ik het moeilijk had. Eikel.

‘Hé, je krijgt een computer hé?’ Hij blies een grote rookwolk uit.

‘Ja.’

‘Ja, ik kan je vertellen dat je er niet blij mee zult zijn.’

‘Oh.’

‘Nee, maar handig is ‘ie wel. Veel plezier ermee.’

En weg was hij.

Ik bleef even staan en liep daarna naar huis.

Afgelopen jaar is Eshkamir verder maar twee keer langsgekomen. Op 29 november, de avond voor het open podium en op 26 maart, de dag na het kampeerweekend. Ik hoop dat i kvan hem af ben als ik in Wageningen zit.

De Spaanse peper

Weten jullie nog? Het is ondertussen al weer een paar jaar geleden. Jasper herinnert het zich als de dag van gisteren. Tijdens één van de voerspelletjes heb ik op aanraden van onze allereigenste jeugdleider Han zout in zijn vla gedaan. De arme Jasper zag dit helemaal niet, want hij was geblinddoekt. ‘Ik wist wel dat jullie er wat in hadden gedaan, maar ik wist niet wat het was.’ vertelde hij later. Nou ja, het was dus zout. En niet zo’n klein beetje ook. Hij ging er bijna over zijn nek. Hij was heel erg boos over wat we hadden gedaan en in het geheim smeedde hij een plan om mij terug te pakken.

Dit plan werd een paar maanden later ten uitvoer gebracht op een van onze ‘exclusieve’ diners. Anne Simone en ik waren begonnen met deze reeks etentjes met vijf anderen, waarbij het menu iedere keer in aantal gangen vermeerderde. Uiteindelijk kregen we maaltijden voorgeschoteld van acht gangen of meer. Tijdens één van deze etentjes, bij één van de vele gangen greep Jasper zijn kans. Terwijl ik even in de keuken stond moffelde hij een Spaanse peper in mijn pannenkoek met ijs.

Toen ik terug kwam en aan mijn pannenkoek begon, proefde ik meteen dat iemand er iets tussen had gedaan. Iets paprika-achtigs. Ik at het gewoon op. De peper smaakte niet heet en had dus niet het door Jasper gewenste effect. Hoe kwam dat? Het effect van de stof die in peper zit die de hitte veroorzaakt, capsaïcine, werd door de melk in het ijs ongedaan gemaakt. In vla zit natuurlijk ook melk, maar dat helpt niet tegen zout, want daar zit weer geen capsaïcine in. Vervelend hé, Jasper?

De komende maand zullen jullie onder het thema ‘wat heet, peper in je r***’ aan de slag gaan. Ik weet niets van de plannen van het kader af, maar ik raad jullie aan je op het ergste voor te bereiden. Draag voor de zekerheid van die ouderwetse kuisheidsgordels zodat niemand… nou ja, laten we er maar niet aan denken. Mocht er op Sneel geen druppel verse melk te vinden, geen paniek, cola werkt net zo goed. Wees tenslotte vooral bereid alles wat je eet dubbel te checken op alles wat heet is. Sterkte.

Janse

De spiegel van het verlangen

‘Beste Wiger, vertel nog eens van Josef.’

‘Meen je dat?’

‘Ja, ik meen het. Hoe zat het ook al weer? Met zijn dromen bedoel ik?’

Wiger is een van mijn nieuwe vrienden op de universiteit. Hij is Christelijk en weet buitengewoon veel over de Bijbel te vertellen. Terwijl hij mij uitlegt dat Josef’s vader, Jacob, twee vrouwen had, observeer ik hoe hij er bij zit. Hij ziet er nogal beroerd uit. Het is kwart over negen ’s ochtends en hij heeft slechts vijf uur slaap gehad in de afgelopen nacht. De gebruikelijke opgewonden glinstering in zijn ogen is afwezig en hij houd zijn kopje koffie stevig vast alsof hij bang is dat het weg zal vliegen.

‘Josef wist wat dromen betekenden.’zeg ik.

‘Ja.’

‘Wat denk je hiervan? Ik heb vannacht gedroomd. Het was een droom die anders was. Anders dan de flarden van waas en onzin die mij gewoonlijk door het hoofd spoken. Als ik al droom. Vannacht was dat niet zo. Het was een kraakhelder en chronologisch geheel.’

‘Hmm, waar ging het over?’

Er was een ster in mijn droom. Een ster die ik al tijden zo graag had willen hebben, zodat zijn zachte licht voor altijd de rug van mijn hand zou strelen. Ik liep naar de ster toe en mensen en dieren liepen met mij mee. Toen ik de ster eenmaal bereikte, koos de ster mij en ik droeg hem naar huis. Daar legde ik hem fonkelend op een kussen en ik wist dat mijn laatste doel bereikt had. Hierna zou er niets meer zijn dat fout kon gaan. De mensen en dieren glimlachten naar mij en mijn ster. Ze klapten in hun handen en hun applaus zwol aan, ze waren verheugd en verwonderd. En ook ik was verwonderd, want ik had nooit gedacht dat ik zoiets bereiken zou. Ik was klaar.

Wiger dacht natuurlijk dat het God was die mij iets duidelijk probeerde te maken.

‘Het zou mij niets verbazen als God iets heel moois met jou van plan is.’ Zei hij.

‘Ik wilde graag een second opinion, als het kan ook een third en een fourth.’ Zei ik.

‘Ik ken wel iemand die er verstand van heeft. Wacht, ik vraag het hem straks wel even. Wie weet kan hij je meer inzicht geven in die droom van je. Je verliest er niets mee.’

‘Ja, nou als hij dat wil doen… Graag.’

Na de pauze kwam een jongen die iets weg had van mijzelf. Dezelfde ogen misschien. Jarick heette hij. Ik vertelde hem van mij droom. Er was nog maar één keer zo iets eerder gebeurt. In Brazilië kwam ik in een soortgelijke droom gehad waarin drie dingen aan bod kwamen die ik erg prettig vond en waar ik er maar één van kon kiezen. Toen ik mijn keuze had gemaakt was ik intens gelukkig, maar toen bedacht ik mij dat ik die andere dingen toch ook wel wilde hebben. Die dingen bleken alleen gestolen en alles verdween in bittere ellende. Die droom is tot nu toe nooit uitgekomen.

‘Wat denk je zelf dat het betekend?’ Vroeg Jarick.

‘Ik denk dat dromen beelden weerkaatsen van de zaken waar je mee bezig bent. Het is een manier om dingen te verwerken. Daarnaast denk ik dat dromen een spiegel van je verlangen zijn.’

Daar was Jarick het kennelijk wel mee eens, want hij kwam niet met een alternatief. Of misschien wist hij het eigenlijk ook niet.

Wat ik wel weet is dit: ik zal er alles aan doen om er voor te zorgen dat deze droom uitkomt. De ster is natuurlijk geen ster maar iets anders.