De Eshkamir-code

Eshkamir heeft mijn telefoon gemold. Daar heb ik natuurlijk geen bewijs voor, maar het staat vast dat mijn tweede telefoon in drie maanden tijd kapot is en dat Eshkamir de laatste is die mij heeft gebeld. Dat had hij trouwens nog nooit eerder gedaan, dus ik herkende hem niet meteen.

‘Goedenavond Janse.’

‘Euh, ja hoi! Me wie spreek ik?’

‘Met Eshkamir.’

Zo ging dat dus ongeveer. Ik was niet zo heel erg van mijn stuk. Eshkamir lijkt immers veel vaker op te duiken de laatste tijd en ik heb ook wel een vermoeden over hoe dat komt.

Nu goed, Eshkamir had een cadeautje voor mij: een mooie foto van mijn lievelingsmeisje. Er was alleen wel een klein probleem. Het cadeau dat hij wilde geven moest ik zelf ophalen en deze foto stond uitgerekend op de laptop van mijn vader. Dat moest geen probleem zijn, dacht ik. Het was gewoon een kwestie van het op een subtiele manier aan hem vragen: ‘Pa, jij hebt een foto op je laptop die ik wil hebben. Geef hem aan mij!’

Maar mijn vader was onverwachts niet zo toeschietelijk. Hij zei: ‘Jaha, ik weet welke foto jij bedoeld. Ik begrijp best dat jij die hebben wilt, maar… je krijgt hem niet!’

‘Wat? Waarom niet?’

‘Tsja jongen, zo gaan die dingen nu eenmaal in het leven.’

Ik haat het als mijn vader met zinloze argumenten komt. Verslagen droop ik af en dreunde een boze improvisatie van de vlooienmars op de piano. Heel onvolwassen, maar ik had het nodig.

Ik belde Eshkamir terug en zei dat hij een waardeloos cadeau had gegeven. Gelukkig was hij wat redelijker dan mijn vader en stuurde mij een nieuw cadeautje op. De volgende morgen lag er een pakketje voor mij op de stoep. Opgewonden ritste ik het open met een stanleymes.

In de doos zat een fles schoonmaakazijn.

Toch sympathiek. Maar niet heus. Het is alsof je iemand een kerkorgel beloofd, maar hem uiteindelijk een bakje met een rotte pruim geeft. 1 april is nog niet eens begonnen.

Maar toen ik de fles nog eens goed bekeek bleek er iets onder de wikkel te zitten. Iets kleins en plats. Ik scheurde het papier van de fles en vond een klein geheugenkaartje dat op de fles zat geplakt. Micro SD, zo groot als de nagel van je pink.

Een geheugenkaart is net zo iets als een passievrucht. Van buiten is hij niet bijzonder interessant. Het is de inhoud waar het om gaat. Ik nam het kaartje mee naar de computer en schoof het in een slide die ik in een bureaula had gevonden. De slide propte ik in de computer van mijn broertje en mijn moeder. De kaart had de naam: wachtwoord laptop Herman. Ik slikte. Zou de Micro SD mij werkelijk de toegang tot mijn vaders computer verschaffen? Ik opende de map waar hij in zou staan en zag tot mijn schrik wel honderd nieuwe icoontjes op het scherm springen. Deze collectie bevatte vooral tekstdocumenten en pdf’s.

Kennelijk waren alle bestanden e-books. Ik keek naar de titels. De meerderheid van de boeken waren geschreven door filosofen, namen als Plato en Kant kwamen meerdere malen voor. Verder waren de schrijvers vooral theologen en dit viel te verwachten: klaarblijkelijk stond er op deze geheugenkaart een voorkeursselectie uit mijn vaders bibliotheek.

In een van deze bestanden zat dus het wachtwoord van mijn vaders laptop. Wil je een boek verstoppen? Stop het in de boekenkast en mensen zullen het niet zien. Wil je een woord onvindbaar maken? Schrijf het in een boek en zet dat boek in de boekenkast. Eshkamir had mij een onmogelijk raadsel voorgelegd. Ik had geen idee waar te beginnen.

Na even diep ademhalen besloot ik de bestanden te ordenen in drie submappen: filosofen, theologen en geschiedenis. Dat ging redelijk goed. Sommige namen moest ik opzoeken voordat ik ze kon onderverdelen. Maarten Luther ging in de map theologen en na enige twijfel stopte ik ‘Lof der zotheid’ in de map filosofen. Zo ging ik door totdat ik een boek overhield dat ik nergens kon indelen. Dit boek was de bijbel.

Was de Bijbel geschiedenis? Was het een filosofisch boek? Ik neigde mijzelf er makkelijk van af te maken. Even sleepte ik de Bijbel richting de map ‘theologen’. Maar ik aarzelde. De Bijbel was misschien wel het boek dat ik zocht. Het zou heel logisch zijn dat een dominee zijn wachtwoorden uit de Bijbel haalt. Ik maakte het bestand open. Bijbel betekent letterlijk bibliotheek. 27 boeken om precies te zijn. In feite was ik dus geen steek verder gekomen met mijn keus. Ik slaakte een diepe zucht.

Hoever was ik bereid te gaan voor die ene foto? Was het de moeite om daar de hele Bijbel voor door te spitten? Ik dacht even na. Ja, besloot ik, maar het kan maar beter een heel mooie foto zijn!

Ik bladerde naar de eerste pagina. Genisis 1 hoofdstuk 1 vers 1. ‘In den beginne was er het woord en het woord was God.’ Bingo. Het woord was: ‘God’. Het was bijna té eenvoudig, maar beslist het proberen waard.

Die avond sloop ik naar de studeerkamer van mijn vader en zette zijn laptop aan. Ongeduldig wachtte ik totdat hij was opgestart en het eerste dialoogscherm verscheen. Mijn handen trilden toen ik de drie letters in het witte vakje typte. G-O-D. Ik zag hoe de letters in zwarte bolletjes veranderden op het scherm en drukte op ‘enter’. Er verscheen een foutmelding. Onjuist wachtwoord. Zie je wel… te eenvoudig.

Gefrustreerd beet ik op mijn lip. Ik zat in de goede richting. Dat moest wel. Wat was het Hebreeuwse woord voor God? Jahweh… Dit voerde ik in en tot mijn grote vreugde zag ik hoe de laptop verder ging met opstarten. Het was gelukt! Triomfantelijk keek ik naar het bureaublad: rode klaprozen. Nu de foto nog.

Maar opeens begon het ding luid te piepen. ‘Shhht!’ fluisterde ik tegen de computer. Er mocht nu niemand wakker worden. Driftig ramde ik op de volumeknop. Ik zag een rood symbooltje knipperen: batterij leeg. Verdorie. Een paar seconden later viel de laptop uit.

Ik liet mijn hoofd kreunend in mijn handen zakken. Wat een pech. Waar had mijn vader de oplader verborgen? Ik scharrelde tussen oude papieren en even later vond ik hem: de oplader! Ik startte de computer opnieuw op en sloot mijn USB-stick aan. Ergens op deze computer stond de foto die ik wilde hebben, maar het bureaublad van mijn vader’s laptop was al een even grote puinhoop als mijn vaders bureaublad in het echt.

De foto’s echter waren redelijk netjes opgeborgen in mappen op data. Ik zocht in de meest recente mappen en toen vond ik het: een hele map met allemaal foto’s van mensen. Veelal bekende mensen. Ook onbekenden. Ze waren op reis. Tussen al deze beelden zat er eentje die me deed glimlachen: daar was ze. Ik kopieerde de hele map naar de USB-stisck en zette de computer uit.

Ik was er nog steeds niet. Obsessies zijn obsessies, dus ik liep terug naar de zolder en sloot de stick aan op de huiscomputer. Ik verzond de foto’s naar mijn eigen e-mail, zette ze op de harde schijf van de universiteit en mailde ze voor de zekerheid ook naar Steil. Niet zozeer omdat ik bang was dat mijn vader een klopjacht zou beginnen maar meer uit emotionele overwegingen. Misschien wraak. Vroeg of laat zou ik de kans krijgen om het er lekker bij mijn vader in te wrijven.