Achterstallig kerstverhaal

'In eigen kilheid zo gevangen,

dat men voor liefde zich verschuild.

Zo aan het eind van elk verlangen,

maar dan een vriend te zien die huilt...'

Willem Wilmink

Natuurlijk hadden Josef en Maria wel aan seks gedaan, met regelmaat zelfs. Ze hadden allebei hun best gedaan om elkaar zoveel mogelijk te plezieren maar om de een of andere reden hadden ze nooit echt genoten van elkaar. Een probleem dat veel twintigers hebben vandaag de dag. Seks moest perfect zijn maar was in feite een plichtmatige marteling op fysiek en mentaal niveau. Op gegeven moment vroeg Maria aan Josef zelfs iets waar ze innerlijk ergens van walgde. Toch moest ze het vragen: 'Vind je het heel erg als we onze relatie wat meer open houden?'

Josef wist natuurlijk dat ze eigenlijk bedoelde: 'Vind je het vervelend als ik andere jongens naai?' en zijn eerlijk antwoord zou natuurlijk een volmondig 'Ja!' zijn geweest. Maar hij wilde haar niet kwijt dus zei hij nee.

Op kerstavond zaten ze weg te kwijnen in een of ander hostel in Berlijn. Alles zat natuurlijk potdicht dus dronken ze de goedkoopste mossel-saar-ruwer uit de Aldi op hun kamer. Ze keken naar de Duitse tv, waar de programma's zo slecht waren dat er niet eens dunne glimlach van kon ontstaan. Met tranen in hun ogen keken ze naar hope- en smakeloze porno, met een onbenullige presentator die het virtuele scherm naast hem op stil liet zetten bij het fragment van een of andere vrouw haar borsten. Hij becommentarieerde ze met een minachtend 'Doch schön, nicht?'.

Ook al hielden Josef en Maria elkaars hand vast, vanbinnen voelden ze zich koud en hol. Josef ging zo op in zijn eigen misère dat hij het niet eens hoorde toen Maria terloops zei: 'Ik geloof dat ik zwanger ben.' Josef maakte een neutraal geluidje en zei: 'Wat fijn schat.'

Los van elkaar sliepen ze in.

Er klopte iemand op de deur. Dronken van slaap en drank was het Josef die zijn bed uit struikelde en de houten deur opendeed. In het portaal van tl-licht stond het silhouet van een lange man met een bleke huid en een sigaar tussen zijn lippen geklemd. Hij zei: 'Ik ben de geest van kerst.' Josef: 'Wacht even, dan pak ik mijn portemonnee.' In plaats daarvan ging hij weer in bed liggen en viel in slaap. De lange vent met de sigaar stapte de kamer in en wreef met zijn lange, dunne vingers over de hoofden van het jonge stel. En zie: hun dromen vermengden zich.

Ze waren in een winkelstraat gevuld met mensen die allemaal dezelfde kant op gingen, als schapen in een slachthuis. Achter de ramen van de winkels hingen posters met enorme designwoorden als UITVERKOOP en SOLDE: TOT 70% KORTING. Boven de winkels stonden cameraploegen die de egale massa uitzonden, live broadcast op internet, tv en mobieltjes.

In de cafeetjes en bistro's zaten nette dames te genieten van panini's met beenham en een Machiato Molto Grande terwijl ze beaamden dat de koningin natuurlijk gelijk had met wat ze ook alweer had verkondigt in haar kersttoespraak. In de bejaardenhuizen zaten verloren zielen te luisteren naar lang vergeten fluitconcerten op afgesleten LP's. Marokkanen wilden de kerk in voor een gratis bekertje glühwein. De koster had daar even geen zin in.

De droom vervaagde. Josef en Maria stonden op het strand. Naast het stond een lange, dunne jongen met donkerblond haar en wat puistjes. Grote voeten, een Harrypottersjaal en getrainde handen waarin hij een vishengel hield. De knaap zei dat hij strandjutter was. Dit was zijn strand. Er liepen drieteenstrandlopers rond en er vlogen rijmpjes door de lucht en op een keer was er een zeemeermin aangespoeld. De jongen was er zo door geraakt geweest dat hij zijn naam had verdraaid en sindsdien was gaan vissen. Hij hoopte 'in the end' de zeemeermin te vangen op wie hij verliefd was geworden. Josef vroeg hem wat voor aas hij dan wel gebruikte. 'Tederheid' antwoordde de jongen. 'Prachtig! Mooi!' riepen Josef en Maria uit, terwijl ze bij zichzelf heel goed wisten dat tederheid niet het juiste aas was om een zeemeermin mee te vangen. De knul zou nog tot sint Juttemis op dat strand blijven staan.

De droom vervaagde. Ze waren opeens op een persconferentie. Achter een tiental kleurige microfoons zat de duivel hoogstpersoonlijk te grijzen. Een journalist vroeg: 'Heeft u het idee dat u enige vooruitgang heeft geboekt dit jaar?' Satan deed alsof hij even over die vraag moest nadenken en zei: 'Ja, ik denk dat ik weer behoorlijk wat vooruitgang heb geboekt.' Een andere journalist vroeg: 'Wat was het mooiste dat u dit jaar heeft bereikt?' Peinzend keek de duivel in de camera's. 'Ik twijfel. De financiële crisis is natuurlijk erg mooi, maar tijdelijk. Ik denk dat ik dit jaar er zeer goed in ben geslaagd om mensen af te leiden van elke vorm van liefde en compassie. Sommigen zijn zelfs vergeten dat ze sterfelijk zijn.' De duivel grinnikte. 'Haalt u wel eens grapjes uit?' vroeg een dame op de eerste rij. De duivel keek haar strak aan en zei langzaam: 'Soms... laat ik wel eens een zeemeermin aanspoelen.'

De persconferentie was afgelopen en Josef en Maria werden wakker. Ze keken elkaar verschrikt aan. 'Josef...' zei Maria. 'Maria...' zuchtte Josef en ze vlogen elkaar om de hals. Vurig en betrokken kusten ze elkaar en net toen ze elkaar wilden ontkleden ging te telefoon. Die en die was doodgegaan daar en daar en er kwam een begrafenis dan en dan. Ze moesten er naar toe.

Twee dagen later zaten ze naast elkaar op de houten bankjes van het overvolle crematorium. Op de eerste rij zat de jongen met donker, lang, krullend haar te staren naar de houten kist. Hij had zijn moeder verloren.

Halverwege het eerste lied klonk wat geroezemoes achter in de zaal. De jongen met het krulhaar keek om. Achter in de zaal stond zijn vriend met zijn harrypottersjaal en een vishengel. Zijn hoofd was rood aangelopen en hij had zijn winterjas nog aan. De twee jongens keken elkaar even aan met op hun gezichten een dunne glimlach. Er was liefde en compassie en eventjes waren hun harten vervuld.

Toen de begrafenis afgelopen was en Josef en Maria in hun kever naar huis reden terwijl ze spraken over een Goed Doel, kwamen de jongens elkaar nog even tegen. 'Ik heb nog een idee voor een act,' zei de jongen met de sjaal. 'Laat horen,' zei de ander.